woensdag 11 oktober 2017

Het Skelethorloge



Potluck klauterde de berg op. Heel wat anders dan de vlakke akkers van zijn Pa. Een steek in zijn zij, snakkend naar adem, zijn knieën als twee knarsende ijsblokken die zijn energie weg schraapten. Nu betaalde hij de prijs van zijn luie leventje, alle fysieke arbeid op de boerderij steeds ontweken. Nauwelijks een greintje kracht of uithoudingsvermogen in zijn lichaam. Wel tintelende vingers, een stijve nek, en door de koude nacht moest hij ook nog eens dringend plassen.

Hij keek omhoog om de afstand tot de top in te schatten. Het leek alsof hij recht naar de maan klom. Dan verscheen een schaduw in die zilveren cirkel. Niet ver meer. De donkere uitkijktoren wachtte in stilte.

Potluck stapte naar de dichtstbijzijnde stenen poer van de toren. Hij slaakte een zucht van verlichting toen hij hem doopte met een straal urine. Snel ging hij verder. Veel tijd had hij niet. De vijand was in aantocht.

De ladder van de uitkijktoren deed hem denken aan die uit zijn kindertijd: in de schuur van zijn Pa, de route naar de hooizolder en de fijnste verstopplaats op de boerderij.
Pa. Vermoord door een soldaat tijdens een strijd voor hun koe. Een garnizoen moest immers eten om te kunnen marcheren en vechten, en het doneren van de koe was zogezegd een grote eer voor een simpele boer.

Geen nacht ging voorbij of Potluck zag het opnieuw en opnieuw in zijn dromen gebeuren. Koe weg, Pa dood, en ook nog eens beroofd van zijn dierbaarste bezit, zijn zakhorloge. Een erfstuk, een skelethorloge uit de 16e eeuw, alle radertjes zichtbaar. Pa had steeds volgehouden dat het een prototype van Peter Henlein zelf was, de eerste horlogemaker uit Duitsland. Potluck had geen idee hoe Pa het in handen had gekregen, maar hij wou het in ieder geval terug hebben. Het was het enige in de wereld wat nog van zijn Pa overbleef.

Jarenlang had Potluck het spoor van de soldaat gevolgd. En hier stond hij nu, in deze uitkijktoren, op post als nachtwacht.
Potluck bereikte de top van de toren. In het midden, omringd door stenen en onder een afdak om het tegen regen te beschermen, lag een piramide van hooibalen. De man aan de andere kant stond voorover geleund tegen de railing. Hij tuurde in de verte en merkte niet eens dat hij bezoek had.

Een flits verlichtte de omgeving. De zigzagstraal scheurde het panorama in twee. In beide helften was de toestromende massa opeens zichtbaar. Duizenden soldaten op weg naar verovering. De donderslag die volgde leek uit hun kelen te komen, een oorlogskreet overtuigd van overwinning.

De Nachtwacht maakte een sprong achteruit, draaide zich om naar de ladder en botste tegen Potluck. Instinctief trok hij zijn zwaard, tot hij zag dat Potluck onbewapend was. “Wie ben jij?” vroeg hij.

Het skelethorloge hing aan een ketting rond de nek van de Nachtwacht. Potluck strekte zijn hand ernaar uit. “Dat was van mijn Pa,” zei hij. “Ik kom het terughalen.”

“Je pa?” vroeg de Nachtwacht. “Waar heb je het over? Ga toch uit de weg, idioot!” Hij duwde Potluck opzij. “Ik moet naar beneden, mijn lucifers halen! De vijand is in aantocht, ik moet het vuur aansteken om zo onze troepen te waarschuwen!”

“Was het niet slimmer geweest die lucifers in je zakken te bewaren?” vroeg Potluck, maar de Nachtwacht was al halverwege de ladder. Potluck keek over de railing naar beneden, maar het was te donker om iets te kunnen zien. Maar horen kon hij wel.

“Godverdomme!” riep de Nachtwacht naar boven. “Mijn lucifers! Zeiknat! Heb jij dat gedaan?”

“Ik zei toch dat het slimmer was geweest die lucifers gewoon in je zakken te bewaren,” mompelde Potluck.

De Nachtwacht klom weer omhoog. “Hoe moet ik onze troepen nu waarschuwen? Ik heb niets om het vuur mee aan te maken.”

“Jij en je troepen zijn de reden dat Pa dood is!” schreeuwde Potluck. “Het kan me niet schelen wat er met jullie gebeurd. Ik wil alleen mijn horloge terug.”

De Nachtwacht trok opnieuw zijn zwaard. De punt flikkerde blauw bij een tweede bliksemschicht. “Wat is je plan, jongetje? Ga je mij overmeesteren? Je komt op een heel slecht moment, ik heb hier nu totaal geen zin in, dus je krijgt dit ding alleen over mijn lijk!”
Potluck was niet sterk, en je kon ook niet zeggen dat hij uitzonderlijk slim was. Hij had geen idee hoe hij het horloge terug kon krijgen. Ook al zou hij ertoe in staat zijn, hij wou de soldaat niet doden. Wraak was niet zijn doel. Maar misschien kon hij wel iets onderhandelen.

“Als ik voor vuur zorg, geef je me het horloge dan terug?”

“Jongen, als jij vuur kan maken, krijg je zelfs mijn jongste dochter als je wil!”

Alsof ook de goden Potluck zijn maagdelijkheid wilden doen verliezen, barstte de hemel opnieuw uit elkaar. De bliksemschicht raakte deze keer een boom aan de voet van de berg. De kruin veranderde in een vuurbal, ontplofte en schoot brandende takken in alle richtingen.

Potluck zuchtte, maar een deal was een deal. Hij liet zich van de ladder afglijden, rolde bijna de berg af, greep de dichtstbijzijnde brandende tak en klom weer naar boven. Knarsende knieën, rook in zijn keel, en jeukende vingers van de hitte. Nog voor hij bovenaan de ladder was, gooide hij de tak op de hooiberg. De vlammen schoten meteen de lucht in. Geen twijfel dat de troepen het signaal zouden zien. De Nachtwacht liet zich op de plankenvloer zakken, uitgeput van de spanning.

“Jongen, ik weet niet wie je bent, maar je hebt ons gered. Wil je dit hebben? Het is van jou.” Hij trok de ketting over zijn hoofd en gaf Potluck het skelethorloge. Potluck nam het met beide handen aan. Het vuursignaal schitterde in het goud, en weerkaatste in de tranen van Potluck’s ogen. Hij hoorde de Nachtwacht niet eens zeggen, “Ik heb trouwens gelogen. Ik heb geen dochters.”



(Dit verhaal is het resultaat van schrijfopdracht "Het geraamte" voor de richting Literaire Creatie aan de Genkse Academie voor Muziek, Woord & Dans, gegeven door Kaat Vrancken.)

Geen opmerkingen:

Een reactie posten